Vertouwen moet zijn: betrouwbaarheid

Er is aardig wat commotie ontstaan over het betoog dat Jan Terlouw in DWDD hield. Ik vond het een mooi en oprecht betoog. In de Volkskrant van afgelopen zaterdag sloeg Martin Sommer de spijker op zijn kop met zijn artikel: Echt vertrouwen, niet zomaar een touwtje uit de brievenbus. Of beter  gezegd hij legt in dit artikel uit waarom Onara O’Neill de spijker op zijn kop slaat en raad aan om haar Ted talk te zien.  En dat heb ik gelukkig gedaan.

In het kort komt het erop neer dat vertrouwen een individuele inschatting is van iemands betrouwbaarheid. Meer vertrouwen geven, of beter van vertrouwen in zijn algemeenheid is dus een dom uitgangspunt. Meer vertrouwen in wie je kunt vertrouwen en minder in wie je niet kunt vertrouwen is waardevoller.

Interessanter is het om beter te snappen waarom je oordeelt dat iemand te vertrouwen is of andersom waarom jij te vertrouwen zou zijn. Het oordeel wordt opgebouwd uit drie elementen:

  1. competentie, is iemand in staat om hetgeen waarin je hem wilt vertrouwen uit te voeren. Oftewel kan de schoenmaker je schoen maken?
  2. betrouwbaarheid, gaat diegene waarin je hem wilt vertrouwen dit ook doen. Gaat de schoenmaker niet vergeten mijn schoen te maken? En is zijn eigen oordeel dat hij het kan betrouwbaar?
  3. eerlijk, is de persoon te vertrouwen. Verkoopt de schoenmaker mijn schoenen als hij de kans krijgt in plaats van dat hij ze maakt.

Als ik iemand als competent, betrouwbaar en eerlijk beoordeel geef ik hem mijn vertrouwen. Dit is echter situationeel. Deze drie elementen bieden mij houvast in waarom ik in sommige gevallen mensen niet vertrouw en waarom ik in sommige gevallen niet vertrouwd wordt.